(doorgestuurd van Zaaitabel.Gingko)
De Ginkgoboom kent zowel vrouwelijke als mannelijke exemplaren. Wereldwijd zijn er minder vrouwelijke Ginkgobomen dan mannelijke. Dit komt omdat de mens selectief mannelijke bomen aanplant: de (vrouwelijke) vruchten verspreiden namelijk een onaangename geur. Het verschil tussen beide geslachten is alleen te zien wanneer de boom in bloei staat. De boom groeit onregelmatig en kegelvormig, en wordt circa 40 meter hoog. In Nederland en België worden kweekvormen gebruikt waardoor de boom vaak niet zo hoog wordt.
De vruchten van de Ginkoboom zijn abrikoosvormig. De vruchten ruiken (stinken) naar ranzige boter als ze in het najaar op de grond liggen. De zaden van de Ginkgoboom worden in China en Japan beschouwd als delicatesse. Er wordt van beweerd dat de zaden een teveel aan alcohol zouden neutraliseren. De schors van de Ginkgoboom is relatief goed bestand tegen vuur. Ook heeft de boom een natuurlijke weerstand tegen ziekten, luchtvervuiling, en radioactieve straling.
De Ginkgoboom zit tussen een naaldboom en een loofboom in; het is geen van beide. De plant behoort namelijk tot een aparte orde van naaktzadigen, die gedurende het mesozoïcum (248 tot 65 mln jaar geleden) van grote betekenis was, maar thans op één soort na is uitgestorven.
De geslachtsnaam van de enige overgebleven soort, Ginkgo biloba komt van het Chinese Ginkyo, wat betekent zilveren abrikoos. Het woord biloba betekent twee lobben en verwijst naar de vorm van de bladeren.
Tijdens het Tertiair kwam de Ginkgoboom over vrijwel het hele Noordelijke halfrond voor. Tijdens onze jaartelling was de boom aan het uitsterven. Waarschijnlijk is de boom rond 800 samen met het boeddhisme uit China naar Japan overgekomen. Daar werd de boom bij tempels gekweekt, wat de bijnaam tempelboom opleverde.